Home » News » Risicobeheersing voor Facilitaire Managers in de zorgsector

Risicobeheersing voor Facilitaire Managers in de zorgsector

[+]

[+] Dimitri De Fré, Rampencoördinatie UZ Leuven

De ‘Hoofden Facilitaire Diensten van Verzorgingsinstellingen’ (HFDV) organiseerden voor de 34e maal op rij hun jaarlijks congres. Het thema waarop de ruim 120 ingeschreven deelnemers werden vergast, was bijzonder actueel geïnspireerd: ‘Risicobeheersing voor Facilitaire Managers in de zorgsector’.
Luc Vanhaverbeke, voorzitter HFDV, opende het congres met de trieste vaststelling dat we het voorbije jaar 58 maal werden geconfronteerd met een terroristische aanslag. “Het is voor ons vakgebied niet langer mogelijk om de risico’s die inherent zijn aan terroristische daden te negeren. Deze risico’s zijn accidenteel en we moeten er ons maximaal op voorbereiden, al zal ook het meest professionele plan voor risicobeheersing noot alle risico’s en situaties kunnen dekken”. Echter niet alleen de dreiging van eventuele terroristische aanslagen nopen tot verhoogde aandacht voor risicobeheer binnen de ziekenhuiswerking.

Ziekenhuishygiëne, een nooit eindigende opdracht
Luc Knaepkens, Manager Housekeeping bij ZNA en Operationeel Directeur Jan Palfijn (ZNA), sprak over de ‘Facilitaire implicaties van de gestelde eisen door de ziekenhuishygiënist’. Vooral woonzorgcentra blijken een hoog risico in te houden voor infecties. Liefst 18% van de Belgische woonzorgcentra krijgt jaarlijks af te rekenen met een epidemievorm (nationale enquête 2014). Het gaat voor 36,8% om diarree als gevolg van medicatie. Het spreekt voor zich dat dergelijke situaties niet alleen invloed hebben op de patiënten/residenten, maar ook aangepaste maatregelen vereisen bij het personeel.
“De ziekenhuishygiëne gaat erop vooruit” stelde Luc Knaepkens, “Maar het blijft wel een permanente uitdaging”.
De algemene toestand van de patiënt is de basis voor zijn gevoeligheid voor infecties binnen de ziekenhuisomgeving. Een verzwakte patiënt en de ‘ingangen’ benodigd voor katheders e.a. verhogen het risico op infecties aanzienlijk. De impact is zelfs veel hoger dan deze van de schoonmaak in ziekenhuizen.
Er sluipt een belangrijk risico voor de ziekenhuishygiëne in de operatiekwartieren die steeds vaker overbelast zijn en onder druk moeten werken. Tussen elke operatie is een tussentijdse schoonmaak noodzakelijk, maar deze wordt niet mee geïntegreerd in de planning, waardoor het onzeker is of de tussentijdse schoonmaak ook daadwerkelijk in de praktijk wordt omgezet. Handhygiëne blijft de absolute topprioriteit in ziekenhuizen en een tekort hieraan is een sluipend risico in elke zorginstelling. Een ander vaak onderschat risico op infecties is bouwstof. In zowat alle ziekenhuizen zijn er haast permanent verbouwingswerken aan de gang, onderhoudswerkzaamheden of herstellingen die gepaard gaan met het veroorzaken van stof dat ongecontroleerd vrij komt en zich tot bij de patiënten kan verspreiden.
Het correct en preventief onderhouden van technische installaties is een belangrijk aandachtspunt om het risico op infecties te beperken.
Het dagelijks reinigen en desinfecteren volgens de procedures van sanitair en ‘high touch’-oppervlakken lijkt vanzelfsprekend, maar schiet wel vaker tekort. Vooral tijdens de weekends worden de schoonmaaktaken slechts beperkt uitgevoerd en loert een verhoogd gevaar op infecties. Luc Knaepkens verwees ook naar de frequent voorkomende grijze zones voor wat schoonmaakt betreft. Wanneer is een vereiste schoonmaaktaak uit te voeren door de schoonmaakmedewerkers, de zorgverstrekkers of de medewerkers van de technische dienst?
Risico’s op infecties zijn er niet alleen voor patiënten/residenten, ook de medewerkers van de zorginstellingen lopen gevaar op zelfbesmetting. “Een zone van 2,5m rond de patiënt is besmet met diens bacteriën” benadrukte Luc Knaepkens.
Tot slot verwees Luc Knaepkens naar de Hoge Gezondheidsraad (FOD Volksgezondheid), door wie alle richtlijnen voor risicobeheersing juridisch zijn vastgelegd. Ze zijn als .PDF-document beschikbaar op www.health.belgium.be/nl/hoge-gezondheidsraad en bevatten elk nuttige informatie voor de Facility Manager.

Facilitaire implicaties bij rampen
De terroristische aanslagen in eigen land op 22 maart 2016 hebben bij velen de ogen geopend voor de overal aanwezige risico’s in de directe werkomgeving.
Dimitri De Fré, Rampencoördinatie UZ Leuven, had die dag in alle vroegte net een ‘noodstroomoefening’ achter de rug toen het trieste nieuws over de aanslagen binnenliep. Opmerkelijk: de informatie over de aanslagen bereikte UZ Leuven hoofdzakelijk via sociale media (Twitter!) en niet rechtstreeks, wat het inspelen op de situatie zeker niet vergemakkelijkte. Alle diensten reageerden hierop vooral door eigen initiatief om maximaal klaar te zijn voor wat kon komen… “Wettelijk moeten wij 3% van onze capaciteit paraat hebben bij een ramp” licht Dimitri De Fré toe. “Dat betekent voor UZ Leuven concreet 159 bedden 3 uur na de afkondiging van de ramp”.
Om 8.20u werd op de spoeddienst van UZ Leuven alles in gereedheid gebracht om slachtoffers op te vangen. Op dat ogenblik lagen er 32 mensen op de spoeddienst en die moesten dringend doorschuiven, terwijl er slechts 3 bedden beschikbaar waren en zelfs geen enkel bed op intensieve zorgen… Om 9.43u werd een eerste slachtoffer ontvangen. Om 10.06u werd al een zesde slachtoffer aangevoerd. Om 11.00u werd een intern comité opgezet voor de coördinatie tussen alle diensten. Om 13.00 was de verwantenopvang paraat en om 13.40u werd een eerste dodelijk slachtoffer overgebracht naar het mortuarium. Net voor 14.00u volgde een derde golf patiënten, mensen die vanuit andere ziekenhuizen naar het UZ Leuven getransfereerd werden.
Dimitri De Fré: “Naast het verzekeren van de verwachte medische opvang, komen er tal van andere zaken aan de oppervlakte. Zo bleken plots heel wat medewerkers niet langer hun normale onthaalfunctie te willen uitoefenen als gevolg van een overrompeling door mensen in paniek, vaak ook buitenlandse verwanten of ambassades. Er stak ook een angstgolf op bij de medewerkers die direct geconfronteerd werden met de gevolgen van een terreurdaad”.
Dat de terreuraanslagen ’s morgens gepleegd werden was een ‘voordeel’ voor UZ Leuven omdat op dat ogenblik de personeelsbezetting maximaal is, nog niet alle operatieve ingrepen gestart zijn (denk aan complexe ingrepen van meerdere uren).

Dimitri De Fré, Rampencoördinatie UZ Leuven, heeft voor de eigen organisatie acht risicotypes gedefinieerd en daar telkens een rampenplan voor uitgewerkt:
  1. brand – ontploffing - instorting
  2. storing nutsvoorzieningen
  3. natuur - extreem klimaat
  4. verstoring interne orde
  5. acuut personeelstekort
  6. contaminatie
  7. verstoring afvoer of bevoorrading
  8. slachtoffers intern / extern incident
Dimitri De Fré: “De implicaties voor facility management waren enorm, omdat iedereen betrokken was en dat gedurende lange tijd. Het is belangrijk om de nazorg voor alle medewerkers niet te vergeten. Verder hebben we geleerd te focussen op de ‘chain of command’ omdat anders allerhande goed bedoelde initiatieven van afdelingen de efficiënte aanpak kunnen verstoren. Tenslotte is een veelvuldig trainen en oefenen van rampenplannen de enig mogelijke voorbereiding om risico’s te beheersen als ze zich voordoen!”.
Eduard Codde
17-01-2017